De federale regering heeft een begrenzing van de index ingevoerd, de zogenaamde centenindex, wat in feite neerkomt op een gedeeltelijke indexsprong. Voor werknemers die minder dan € 4.000 bruto voor een voltijdse job verdienen verandert er niets. Verdien je meer dan dat? Dan wordt je loon nog steeds geïndexeerd, maar met een plafond. In de praktijk wordt het deel boven de € 4.000 niet geïndexeerd. Dit is niet alleen slecht voor jouw portemonnee, maar ook voor de sociale zekerheid en de overheidsfinanciën die zo inkomsten mislopen. Bovendien stapelt het verlies zich op over je hele carrière. Nochtans hadden de sociale partners een sociaal rechtvaardiger alternatief uitgewerkt dat de regering gewoonweg verworpen heeft. Om te begrijpen waarom de automatische indexering zo belangrijk is én waarom de BBTK tegen elke ingreep is, gaan we terug naar de basis.
Wat is dat, de index?
Wanneer de prijzen in de winkel evolueren, evolueren onze lonen mee. Dit noemen we de automatische indexering. De indexering van lonen en sociale uitkeringen beschermt onze koopkracht. Het gaat namelijk om een (weliswaar uitgestelde) aanpassing aan de inflatie. Zo kan je met het bedrag dat je elke maand op je rekening krijgt ongeveer hetzelfde blijven kopen. Stijgen de prijzen van goederen en diensten? Dan stijgen ook de lonen en uitkeringen. Maar opgelet! De index is geen geschenk, wel een weergave van de kosten van het levensonderhoud. Het is eigenlijk een inhaalbeweging die ervoor zorgt dat je koopkracht de evolutie van die kosten kan blijven volgen. Het is een belangrijke verwezenlijking van de vakbonden en iedereen kan erop rekenen. Het systeem kan op vertrouwen rekenen, meer bepaald omdat de verschillende stelsels gebaseerd zijn op cao’s die door werkgevers en vakbonden samen opgesteld zijn.
Er bestaan verschillende indexeringssystemen, afhankelijk van de sector. Het loon van een werknemer in de handel wordt bijvoorbeeld op een ander moment en volgens andere principes geïndexeerd dan dat van een werknemer in de banksector of de logistiek. Voor ambtenaren gebeurt de aanpassing van het loon nog op een ander moment. Uitkeringen zoals pensioenen worden geïndexeerd telkens de spilindex met 2% overschreden is.
Twee verschillende indexeringssystemen
Er bestaan twee grote soorten systemen:
- Ofwel een indexeringssysteem op een vaste datum. De lonen worden dus op een vaste datum geïndexeerd met het percentage van de evolutie van de afgevlakte gezondheidsindex tussen de twee data. In veel sectoren zijn deze systemen jaarlijks, met bijvoorbeeld een indexering op 1 januari van elk jaar, waarbij men de evolutie van de afgevlakte gezondheidsindex van november of december van jaar X (2025) vergelijkt met die van november of december van jaar X-1 (2024). Een voorbeeld is het paritair comité 200 waar de lonen op 1 januari 2026 geïndexeerd werden met 2,21%. Andere systemen voorzien bijvoorbeeld in indexeringen om de twee maanden.
- Ofwel een indexeringssysteem op basis van een spilindex. Elke sector heeft spilindexen vastgelegd die variëren volgens een bepaald percentage, meestal 2%. Dus wanneer de spilindex van de sector wordt overschreden door de afgevlakte gezondheidsindex, worden de lonen met 2% geïndexeerd in de maand daarop of twee maanden later, zoals bijvoorbeeld het geval is voor de volledige social-profitsector. Er bestaan nog gunstigere systemen, zoals in het paritair comité 202 (kleinhandel in voedingswaren), waar de spilindexen 1% uit elkaar liggen. Dit heeft tot gevolg dat de lonen sneller worden geïndexeerd per schijf van 1%. Zo werden in 2025 de lonen in februari en april met telkens 1% geïndexeerd.
Deze mix van systemen houdt in dat niet alle lonen op hetzelfde moment worden geïndexeerd.
Een impact die verder reikt dan alleen de lonen
De centenindex leidt niet enkel tot een inkomensverlies voor de betrokken werknemers. Door de begrensde indexering van de lonen dalen ook de sociale bijdragen en de fiscale inkomsten die onze sociale zekerheid en onze openbare diensten financieren.
Het was nooit de bedoeling van de automatische indexering om de rijkdom te herverdelen. Wel om de koopkracht te beschermen terwijl het leven duurder wordt, én om een aangepaste financiering van ons sociaal model te waarborgen. Hoe meer de lonen evolueren, hoe meer ze bijdragen aan de financiering van de pensioenen, de gezondheidszorg, de werkloosheid en ook het groeipakket (de voormalige kinderbijslag).
De centenindex verzwakt dus een mechanisme dat de hele samenleving ten goede komt. Wat vandaag zogezegd bespaard wordt, dreigt morgen te resulteren in een verlies aan inkomsten voor onze sociale zekerheid of in nieuwe bezuinigingsmaatregelen.
De centenindex
De ingreep van de regering houdt in dat het deel van je loon boven de € 4.000 bruto niet langer geïndexeerd zal worden.
Stel: er is een indexering van 2% en je verdient € 3.500. Je loon zal met € 70 bruto stijgen. Er verandert niets.
Je verdient € 5.485 euro bruto. Je loon zou met € 109,7 moeten stijgen, maar door de centenindex krijg je er slechts € 80 bij. Je verliest dus € 29,7 bruto.
De maatregel geldt voor iedereen. Werk je halftijds? Dan wordt het pro rata berekend. Ook wie recht heeft op een uitkering zoals een pensioen krijgt vanaf € 2.000 geen indexering meer.
De beperking vindt bovendien twee keer plaats: vanaf 1 juni 2026 en vanaf januari 2028. Ongeveer de helft van de Belgische werknemers verdient bruto meer dan € 4.000 en wordt dus getroffen door deze maatregel. Er zal dus tweemaal 2% indexering worden toegepast op begrensde lonen. Voor bepaalde paritaire comités, die bijvoorbeeld om de twee maanden indexeren, wordt het echt een ingewikkelde berekening om effectief tot die twee keer 2% te komen. In het geval van een spilindex van 2% is dit heel transparant, want je indexering wordt tweemaal begrensd. Maar wanneer de indexering om de twee maanden plaatsvindt, zijn er misschien wel meer dan vijf of zes begrenzingen nodig om tot een vergelijkbaar resultaat te komen.
Een verlies dat je blijft voelen
Elke ingreep op de index heeft een effect op je hele carrière. Elk verlies betekent namelijk dat je bij een volgende indexering een lager loon hebt dat geïndexeerd wordt, waardoor je loon dus minder stijgt. Dit sneeuwbaleffect zorgt ervoor dat een schijnbaar klein bedrag uiteindelijk tot de prijs van een wagen kan oplopen.
Concrete voorbeelden van de centenindex in 2026 en het verlies voor de werknemers
Uit de onderstaande voorbeelden blijken duidelijk de gevolgen van de eerste indexsprong “light” in 2026. Ze tonen aan dat, afhankelijk van de sector en het indexeringssysteem, het verlies kan verschillen, zelfs voor een identiek loon.
Zoals uitgelegd in punt 2 zijn er meerdere vormen van indexering. In de privésector variëren de modaliteiten en de momenten van indexering van sector tot sector.
Eerste voorbeeld paritair comité 311
Een loon van € 3.000 bruto en een loon van € 5.000 bruto met een indexering van 2%, toegepast op het moment dat de spilindex van de sector wordt bereikt. Volgens de laatste prognoses van het Planbureau is een indexering van 2% voorzien in juli 2026.
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 3.000 | € 60 (3.000 * 2%) | € 3.000 | € 60 (3.000 * 2%) | € 0 |
| € 5.000 | € 100 (5.000 * 2%) | € 5.000 | € 80 (4.000 * 2%) | € 20 |
We zien dus dat bij de volgende indexering in juli 2026 voor een loon van € 5.000 bruto € 20/maand verloren zal gaan door de centenindex.
Tweede voorbeeld paritair comité 202.00
Een loon van € 3.000 bruto en een loon van € 5.000 bruto met een indexering van 1%, toegepast op het moment dat de spilindex van de sector wordt bereikt. Volgens de laatste prognoses van het Planbureau is een indexering van 1% voorzien in juli 2026 en 1% in oktober 2026.
Eerste indexering (1% in juli 2026)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 3.000 | € 30 (3.000 * 1%) | € 3.000 | € 30 (3.000 * 1%) | € 0 |
| € 5.000 | € 50 (5.000 * 1%) | € 5.000 | € 40 (4.000 * 1%) | € 10 |
Tweede indexering (1% in oktober 2026)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 3.030 | € 30,30 (3.030 * 1%) | € 3.030 | € 30,30 (3.030 * 1 %) | € 0 |
| € 5.050 | € 50,50 (5.050 * 1 %) | € 5.040 | € 40 (4.000 * 1 %) | € 10,5 |
Derde voorbeeld paritair comité 200
Een loon van € 5.000 bruto en een loon van € 10.000 bruto met een indexering op 1 januari van elk jaar. Volgens de laatste prognoses van het Planbureau is een indexering van 4,05% voorzien in januari 2027.
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 5.000 | € 202,5 (5.000 * 4,05%) | € 5.000 | € 182,5 (4.000 * 2%) + (5.000 * 2,05%) | € 20 |
| € 10.000 | € 405 (10.000 * 4,05%) | € 10.000 | € 285 (4.000 * 2%) + (10.000 * 2,05%) | € 120 |
Vierde voorbeeld paritair comité 310
Een loon van € 5.000 bruto en een loon van € 10.000 bruto met een indexering om de twee maanden. Volgens de laatste prognoses van het Planbureau is een indexering van 0,64% voorzien in juli 2026, 0,72% in september 2026, 0,51% in november 2026 en 0,67% in januari 2027. De drempel voor de indexsprong van 2% wordt dus bereikt in januari 2027, met 2,54% in totaal.
Eerste indexering (0,64% in juli 2026)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 5.000 | € 32,00 (5.000 * 0,64%) | € 5.000 | € 25,60 (4.000 * 0,64%) | € 6,40 |
| € 10.000 | € 64,00 (10.000 * 0,64%) | € 10.000 | € 25,60 (4.000 * 0,64%) | € 38,40 |
Tweede indexering (0,72% in september 2026)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 5.032 | € 36,23 (5.032,00 * 0,72 %) | € 5.025,60 | € 28,80 (4.000 * 0,72%) | € 7,43 |
| € 10.064 | € 72,46 (10.064 * 0,72%) | € 10.025,60 | € 28,80 (4.000 * 0,72%) | € 43,66 |
Derde indexering (0,51% in november 2026)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 5.068,23 | € 25,85 (5.068,23 * 0,51%) | € 5.054,40 | € 20,40 (4.000 * 0,51%) | € 5,45 |
| € 10.136,46 | € 51,70 (10.136,46 * 0,51%) | € 10.054,40 | € 20,40 (4.000 * 0,51%) | € 31,30 |
Vierde indexering (0,67% in januari 2027), wat neerkomt op 2,54% in totaal (waarvan 0,13% centenindex om de 2% centenindex in 2026 te bereiken)
| Normale indexering | Centenindex | |||
| Brutoloon/voltijds | Normale indexering | Brutoloon | Centenindex | Verlies voor werknemer/maand |
| € 5.094,08 | € 34,13 (5.094,08 * 0,67%) | € 5.074,80 | € 32,60 (4.000 * 0,13%) + (5.074,80 * 0,54%) | € 1,53 |
| € 10.188,16 | € 68,26 (10.188,16 * 0,67%) | € 10.074,80 | € 59,60 (4.000 * 0,13%) + (10.074,80 * 0,54%) | € 8,66 |
Enkele vaststellingen met betrekking tot de toepassing van de centenindex
- Allereerst valt op hoe complex de uitvoering ervan is. Afhankelijk van het indexeringssysteem dat op sectorvlak geldt, zullen de werkgevers heel wat bewerkingen en berekeningen moeten uitvoeren, waardoor het risico op fouten toeneemt en de werknemer zijn loon maar moeilijk zal kunnen controleren.
- Door de centenindex zullen alle werknemers die meer dan € 4.000 bruto per maand verdienen (of € 2.000 als ze halftijds werken) inkomensverlies lijden. De voorbeelden hierboven hebben enkel betrekking op de eerste indexsprong van 2026. Het bedrag van het verlies kan variëren per sector, afhankelijk van het indexeringssysteem en het moment van indexering. Zo zullen een werknemer uit paritair comité 311 en een werknemer uit paritair comité 202.00 met precies hetzelfde loon niet exact hetzelfde verlies lijden.
- In 2028 wordt de centenindex nog een tweede keer toegepast. De berekeningsmethode zal identiek dezelfde zijn, behalve dat het plafond van € 4.000 bruto geïndexeerd zal worden naar analogie met de lonen van de openbare diensten. Waarschijnlijk zal het plafond in 2028 € 4.080 bruto zijn. De € 4000 wordt geïndexeerd op basis van de spilindex van de openbare sector. Als er een indexering komt, zal het bedrag €4.080 zijn, maar als er meerdere indexeringen zijn, zal dit bedrag mee evolueren.
- De verliezen stapelen zich maand na maand op gedurende je volledige carrière. We hebben een raming gemaakt van het inkomensverlies in verschillende sectoren voor de periode van 01/06/2026 tot 31/12/2028, dit is de periode waarin de centenindex tweemaal wordt toegepast. Hieronder staat het geschatte verlies voor deze periode.
Verlies door de centenindex van 01/06/2026 tot 31/12/2028 | ||||
(Eindejaarspremie en dubbel vakantiegeld inbegrepen) | ||||
| Voltijds brutoloon | Pc 200 (indexering op 1 januari) | Pc 202 (spilindex van 1%) | Pc 311 (spilindex van 2%) | Pc 310 (indexering om de twee maanden) |
| € 2.000 | € 0 | € 0 | € 0 | € 0 |
| € 4.000 | € -393,96 | € -38,30 | € -23,08 | € -58,62 |
| € 5.000 | € -1.054,82 | € -912,91 | € -887,71 | € -944,39 |
| € 10.000 | € -4.359,10 | € -5.285,96 | € -5.210,87 | € -5.373,29 |
| Als je vandaag € 4.500 bruto verdient en nog 40 jaar moet werken, zal de centenindex van Arizona je meer dan € 17.600 kosten. Wil je je totale loonverlies tot aan je pensioen inschatten, dan heeft het ABVV een simulator ontwikkeld waarmee je dit kan berekenen op basis van je brutoloon. |
Welke gevolgen voor de sectorale barema’s?
Bij de indexeringen in 2026 en 2028 zullen de loonbarema’s van de sectoren en bedrijven worden aangepast op basis van de centenindex. Dit heeft twee gevolgen:
- Allereerst zal dit leiden tot een kleinere baremieke spanning. Door een forfaitaire indexering van € 80 (in plaats van een procentuele indexering) toe te passen voor lonen boven € 4.000 zal automatisch het procentuele verschil tussen de jaarlijkse baremieke trappen kleiner worden en zullen de jaarlijkse baremieke trappen aan het einde van de loopbaan geleidelijk aan verdwijnen.
- Daarnaast zullen zelfs werknemers, vooral jonge werknemers, die vandaag nog niet door de centenindex worden getroffen, er binnen enkele jaren wel door geraakt worden wanneer hun loon stijgt. De barema’s zullen dan immers aangepast zijn (anciënniteit). Besluit: de centenindex zal bijna iedereen treffen over de volledige loopbaan, ook de meeste werknemers die vandaag (nog) niet de impact van de centenindex voelen.
| De baremieke spanning verwijst naar het verschil tussen twee loonniveaus die door een loonrooster (barema’s) vastgelegd zijn. Ze dient vooral om het inkomensverschil te meten tussen het laagste en het hoogste loon binnen een barema (of het verschil tussen twee verschillende functies met dezelfde anciënniteit). Door de centenindex van de regering zouden deze loonverschillen gewijzigd kunnen worden, wat voor spanningen in de onderhandelde barema’s kan zorgen en hun samenhang kan verstoren. |
Een grote impact voor de financiering van de sociale zekerheid
De regering legt ons de centenindex op en stelt dat dit gerechtvaardigd is in het kader van het terugdringen van het begrotingstekort. Maar zal dit de staat werkelijk iets opleveren? De regering zal besparen op een deel van de indexering van de hogere sociale uitkeringen (vooral ziekte-uitkeringen en pensioenen). Ze zal ook besparen op de lonen die ze rechtstreeks uitbetaalt: die van de openbare sector. Door het “voordeel” van de loonmatiging die aan werknemers in de privésector wordt opgelegd, zal de staat echter bijdragen en bedrijfsvoorheffing verliezen op het niet-geïndexeerde deel van het loon. Als tegenprestatie moeten werkgevers een zogenaamde “loonmatigingsbijdrage” betalen. Dat wil zeggen dat ze een deel van de besparing opnieuw moeten doorstorten aan de sociale zekerheid. In theorie zal het gaan om de helft van het voordeel dat ze uit de centenindex halen. Het nadeel voor de staat blijft dus aanzienlijk, aangezien de helft van de besparing bij de werkgevers in de privésector blijft. De echte verliezers zijn de mensen met een uitkering, de werknemers en de openbare diensten. De sociale zekerheid wordt namelijk grotendeels gefinancierd door de sociale bijdragen die werknemers en werkgevers op de lonen betalen. Dezelfde redenering geldt voor het verlies aan fiscale inkomsten. Als je loon lager is, betaal je minder belastingen en ontvangt de staat dus minder middelen.
Het beperken van de indexering van de lonen boven € 4.000 bruto zal automatisch gevolgen hebben voor de financiering van de sociale zekerheid, en zal op termijn een aanzienlijk inkomstensverlies veroorzaken.
Hoe hoger het loon, hoe groter het verlies voor de sociale zekerheid bij een gedeeltelijke indexsprong (centenindex). Hogere inkomens zullen veel minder bijdragen aan de sociale zekerheid (en sommigen zullen dit bovendien compenseren met voordelen die niet onderworpen zijn aan sociale bijdragen). De Arizona-regering misleidt ons wanneer ze zeggen dat de centenindex een sociale maatregel is.
Nemen we het voorbeeld van een brutoloon van € 10.000. Door de centenindex bedraagt de besparing voor de werkgever € 120. Samen met de 25% patronale bijdragen komt de totale besparing op € 150. De werkgever moet daarvan € 75 doorstorten naar de sociale zekerheid. Het maandelijkse verlies voor de sociale zekerheid bedraagt in dit voorbeeld dus € 75, of € 900 per jaar. Als je weet dat dit verlies zich opstapelt over de volledige carrière en dat meer dan één werknemer op twee door deze centenindex wordt getroffen, is het duidelijk dat het verlies voor de sociale zekerheid groot zal zijn. Opgelet, dit is een algemeen en bewust vereenvoudigd voorbeeld, maar de berekening is in werkelijkheid veel complexer, zoals hieronder wordt uitgelegd.
Het vastleggen van de voorziene loonmatigingsbijdragen: gebakken lucht!
Eén punt waarover we het met de werkgevers eens zijn, is dat de toepassing van de centenindex ongeëvenaard complex is, en in het bijzonder bij de bepaling van de loonmatigingsbijdrage. Bovendien blijft alles voorlopig vrij onduidelijk. We laten de technische uitleg achterwege en geven jullie een overzicht van deze gebakken lucht. Om te berekenen wat werkgevers zullen terugstorten aan de sociale zekerheid, zijn er drie fasen en vier verschillende berekeningen nodig, waarvan er twee betrekking hebben op de geconsolideerde loonmatigingsbijdragen die tot op vandaag nog steeds niet vastliggen! Van administratieve vereenvoudiging gesproken…
Een kort overzicht in onderstaande tabel
Fase | Begin | Verschuldigde loonmatigingsbijdrage |
| Fase 1 – tijdens periode van eerste gedeeltelijke indexsprong | Vanaf juni 2026 | Een voorlopige loonmatigingsbijdrage 1ste periode (1ste bijdrage te betalen) |
| Fase 1 – tussen twee gedeeltelijke indexsprongen (2026 en 2028) | Wanneer 1ste loonmatiging > 2% bereikt is voor alle lonen | Voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage 1ste periode (2de bijdrage te betalen) – Koninklijk Besluit (KB) moet berekening nog bepalen |
| Fase 2 – tijdens periode van tweede gedeeltelijke indexsprong | Vanaf januari 2028 | Voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage 1ste periode (2de bijdrage te betalen) – KB moet berekening nog bepalen / (+) voorlopige loonmatigingsbijdrage 2de periode (3de bijdrage te betalen) |
| Fase 3 – na tweede gedeeltelijke indexsprong (2028 tot?) | Wanneer 2de loonmatiging > 2% bereikt is voor alle lonen | Definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage (4de bijdrage te betalen) – KB moet berekening nog bepalen |
Invoering van de loonmatigingsbijdrage
De regering moet nog een Koninklijk Besluit nemen om de modaliteiten van deze loonmatigingsbijdrage vast te stellen. Hoe dan ook: het verlies voor de werknemers is blijvend. De loonmatigingsbijdrage moet dat dus ook zijn.
De werkgevers oefenen echter aanzienlijke druk uit op de regering om deze bijdrage slechts beperkt of zelfs helemaal niet te betalen.
Op dit moment is het nog onduidelijk of en hoe lang het verlies voor de sociale zekerheid dus zal gecompenseerd worden.
Dat wil zeggen dat wij twee keer betalen: een eerste keer omdat je loon verliest, een tweede keer omdat het verlies voor de sociale zekerheid op de één of andere manier moet gecompenseerd worden. Het voordeel van de centenindex gaat naar de werkgevers.
De gevolgen voor de belastingen: € 521 miljoen minder!
De centenindex zal leiden tot grote verliezen voor de sociale zekerheid en de belastinginkomsten voor de staat. In België is de belasting progressief. Hoe hoger je loon, hoe hoger het belastingtarief, met een hoogste schijf van 50%.
Als we het vereenvoudigde voorbeeld nemen van een werknemer met een brutoloon van € 10.000 per maand, zal de eerste gedeeltelijke indexsprong hem elke maand € 120 bruto kosten. De belasting die maandelijks niet wordt geheven, bedraagt € 52 per maand (€ 120 - 13,07% sociale premies * 50%)*. In zijn rapport van 19 mei 2026 schat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven het verlies aan belastinginkomsten voor de staat op € 521 miljoen!
De centenindex rechtvaardigen om louter budgettaire redenen en daarbij rekenen op hypothetische terugverdieneffecten, is onjuist. De centenindex zal zowel de inkomsten van de sociale zekerheid als de belastinginkomsten doen dalen. De enige reden voor de centenindex is ideologisch.
| Hoe komen we in dit geval tot € 52 per maand? We nemen het verlies van € 120 bruto, verminderd met 13,07% sociale bijdragen (dit percentage geldt voor alle lonen). Dit resultaat wordt vermenigvuldigd met 50%, namelijk het hoogste belastingtarief op beroepsinkomsten. |
Respect voor het sociaal overleg
De loonindexering is het resultaat van onderhandelingen tussen de sociale partners. Door de centenindex op te leggen, grijpt de regering eenzijdig in op een materie die tot het sociaal overleg behoort.
Nog zorgwekkender is dat er door de sociale partners (Groep van 10) een evenwichtig alternatief werd onderhandeld. In plaats van dit akkoord te respecteren, heeft de regering ervoor gekozen om haar beslissing door te drukken.
Volgens de BBTK ondermijnt deze werkwijze een essentiële pijler van ons sociaal model. Als de regering morgen op haar eentje onderhandelde akkoorden kan wijzigen, komt de geloofwaardigheid van het sociaal overleg volledig op de helling te staan.
Conclusie: de index verdedigen, ons sociaal model verdedigen
De centenindex wordt voorgesteld als een budgettaire maatregel. In werkelijkheid gaat het om een politieke keuze die een essentieel mechanisme van ons sociaal model geleidelijk verzwakt.
De automatische indexering is geen privilege. Ze beschermt de koopkracht van de werknemers en de mensen met een uitkering tegen de stijgende levensduurte. Ze garandeert ook de financiering van onze sociale zekerheid, onze pensioenen, onze gezondheidszorg en onze openbare diensten.
Door deze centenindex zullen de betrokken werknemers op lange termijn geld verliezen, zullen de verliezen zich gedurende hun hele carrière opstapelen en zullen de inkomsten van de sociale zekerheid dalen.
Op termijn wordt ons hele solidariteitsmodel hierdoor verzwakt.
Los van de inhoud van de maatregel is ook de methode problematisch. De indexering behoort tot het sociaal overleg en tot de collectieve arbeidsovereenkomsten die tussen sociale partners worden onderhandeld. Door eenzijdig deze regels te wijzigen, omzeilt de regering opnieuw het sociaal overleg.
Er bestaat een andere weg: het sociaal overleg respecteren, de automatische indexering behouden en zorgen voor een duurzame financiering van onze sociale zekerheid. De index verdedigen betekent een systeem verdedigen dat alle werknemers en burgers beschermt.
