© BBTK - Antwerpen | 2018 | Van Arteveldestraat 9-11 2060 Antwerpen | Disclaimer

 

Sociale Zekerheid

 

1. Belang

 

Met een degelijk inkomen kan je genieten van het leven: voeding, wonen, ontspanning, kleding, onderwijs, sparen, …. . Een inkomen verwerf je door te werken of via een vervangingsinkomen. Als je werkt, krijg je een loon. Bij tegenslag (ziekte, invaliditeit, ontslag, arbeidsongeval, beroepsziekte, ….) en wanneer je op pensioen gaat, kan je een vervangingsinkomen aanvragen. Voor de opvoeding van je kinderen krijg je een gezinsbijslag. Bij ziektekosten (medicijnen, operatie, …) betaal je zelf een beperkt deel. Elke aanvraag om beroep te doen op de sociale zekerheid, is gekoppeld aan het verhaal van rechten en plichten.

 

Dit wordt in België geregeld door het unieke systeem van de sociale zekerheid. Sommige landen kennen een gelijkaardig systeem (Scandinavische landen). In andere landen (Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten, …) is er een minimalistisch systeem zodat de werknemers er een lagere sociale bescherming hebben. Ze kunnen voor hogere uitkeringen wel terecht bij privé-verzekeraars maar betalen dan hoge premies. Enkel met een hoog inkomen kan je je voldoende verzekeren tegen tegenslag.

 

In 2019 zijn we rijker dan in 1944 en toch gaan er stemmen op om zwaar te bezuinigen of om het stelsel helemaal af te schaffen. Het is geen volmaakt systeem. De armoede is niet helemaal verdwenen maar zonder sociale zekerheid zou het veel erger zijn.

2. Start van de Sociale Zekerheid (SZ)

 

Door de besluitwet van 28 december 1944 voerde Achiel Van Acker (minister van Arbeid en Sociale Voorzorg voor de BSP (Belgische Socialistische Partij – voorloper van de SP.A)) de rijks maatschappelijke (sociale) zekerheid in bij volmacht. In grote lijnen neemt deze besluitwet het ontwerp over van het Sociaal Pact. Dit Pact werd enige maanden voordien in 1944 tijdens clandestiene onderhandelingen afgesloten tussen vertegenwoordigers van het patronaat en de vakbonden. Deze onderhandelaars waren in strikte zin geen afgevaardigden van hun patronale en syndicale achterban. De meningen over dit Pact waren bij de vakbonden en het patronaat sterk verdeeld. Achiel Van Acker nam de tegenstand in het parlement en bij de sociale partners in snelheid door de sociale zekerheid bij volmacht in te voeren.

Citaat van Els Witte uit Politieke geschiedenis van België sinds 1830 p.358: “Deze sociale wetten stuitten op weinig verzet na de fascistische nachtmerrie. Eerder rechts georiënteerden zagen deze wetten als een kwestie van rechtvaardige herverdeling maar ook als een middel om de neokapitalistische maatschappij te renoveren en te beveiligen tegen extreem linkse agitatie”.

3. Wat was er vroeger?

 

Het Sociaal Pact kwam er niet zo maar. Wie vroeger geen werk had door ziekte of ouderdom werd veroordeeld tot de bedelstaf. Bij geluk kon je beroep doen op de hulp van familie of de liefdadigheid van adel, kerk of rijke burgers. Tijdens de Middeleeuwen beheersten de gilden het sociaaleconomisch leven in de steden. Elke gilde verenigde leden van eenzelfde ambacht en richtte o.a. fondsen van onderlinge bijstand op om elkaar bij ziekte en ouderdom bij te staan. Door de industrialisatie vanaf het midden van de 18de eeuw kwamen de gilden in België onder druk te staan. De arbeiders (‘proletariers’) verdienden in de fabrieken het zout niet op de patatten, genoten geen bescherming en mochten zich niet verenigen (Wet Le Chapelier van 1789).

 

Drukkers, wevers, … namen de traditie van de gilden over en richtten kassen voor onderlinge bijstand op die door de overheid oogluikend werden toegestaan. Deze mutualiteiten (ziekte)  en weerstandskassen (werkloosheid, staking, …) spijsden hun kas met vrijwillige bijdragen. Soms kregen ze een subsidie van de gemeente. De patroons betaalden geen bijdragen. Bij crisis werd het een verhaal van vallen en opstaan door de kleinschaligheid en een zwakke financiële draagkracht!

 

Gedurende de 19de eeuw werden de loon- en arbeidsvoorwaarden individueel geregeld tussen patroon en arbeider. De patroon besliste eigenmachtig en de arbeider kon er al of niet op ingaan. Op 18 maart 1886 braken er onlusten uit in Luik ter herdenking van de Commune van Parijs. Dit oproer verspreidde zich snel in Wallonië (o.a. mijn- en glassector). Er werd een parlementaire onderzoekscommissie opgericht die aanbevelingen gaf aan de regering. De eerste sociale wetten werden dan in België ingevoerd: geen uitbetaling meer van het loon in natura en cafés, de erkenning van beroepsorganisaties, invoering van arbeidsreglementering en inspectie, …. . Vanaf 1900 voerde de overheid nog een aantal wetten in: arbeidsongevallen in 1903, beroepsziekten in 1927, pensioen voor arbeiders in 1924 en bedienden 1925, kinderbijslag in 1930.  Voor ziekte, invaliditeit en werkloosheid organiseerden mutualiteiten en vakbonden dit op vrijwillige basis met soms subsidies van de gemeente en provincie.

4. De basis en afwerking van de sociale zekerheid

 

De basis voor de huidige sociale zekerheid werd door de besluitwet van 28.12.1944 ingevoerd. Men heeft bewust gekozen voor dit systeem en vier vormen van solidariteit ondersteunen het; solidariteit tussen hoge en lage risicogroepen, hoge en lage inkomens, generaties en de ganse Belgische bevolking.

 

Het werd een verplichte verzekering voor alle werknemers en de bijdragen werden centraal geïnd.  De werkgevers werden verplicht om een voorafhouding te doen op het brutoloon met een deel van de werkgever en de werknemer. Dit gedeelte wordt ‘onrechtstreeks’ loon genoemd omdat de werknemer er arbeid voor levert. De risico’s voor ziekte, invaliditeit en werkloosheid waren vanaf nu verplicht verzekerd.  Alle kassen en stelsels werden in één rijksdienst ondergebracht voor maatschappelijke zekerheid (nu sociale zekerheid) die paritair (door werkgeversorganisaties en vakbonden) beheerd wordt. De uitkeringen worden uitbetaald door:

  • De vakbonden voor de werkloosheid,

  • De mutualiteiten voor ziekte en invaliditeit en gezondheidskosten,

  • De werkgeverskassen voor de kinderbijslag en het vakantiegeld voor de arbeiders,

  • De overheid voor de pensioenen,

  • De verzekeringsmaatschappij van de werkgever bij een arbeidsongeval,

  • Het fonds voor beroepsziekten (openbare instelling van de overheid) wanneer je door met bepaalde producten te werken ziek wordt (kanker, asbestose, …) .

 

Er werd niet gekozen voor privé-verzekeringen. Sociale zekerheid geef je niet aan de vrije markt. De verschillen tussen onze sociale zekerheid en privé-verzekeringen zijn essentieel:

 

Door de verdere afwerking van dit stelsel word je nu beschermd door:

  • De ‘klassieke ‘ sociale zekerheid door een:

    • Aanvullende uitkering: gezondheidszorgen en gezinsbijslagen.

    • Vervangingsinkomen: werkloosheid, ziekte, invaliditeit, pensioen en jaarlijkse vakantie voor arbeiders.

    • Schadevergoeding: arbeidsongeval en beroepsziekte.

  • De sociale bijstand:

    • Het leefloon,

    • Een inkomensgarantie voor ouderen en gezinnen met kinderen,

    • Een uitkering voor personen met een handicap.

 

Sommige paritaire comités hebben fondsen van bestaanszekerheid om bijkomende sociale voordelen te financieren voor de werknemers: vorming, weerverlet in de bouw, …. zijn hier voorbeelden van. Later werd dit de verzorgingsstaat genoemd maar vanaf de depressie in de jaren ’70 ging men deze verworvenheden in vraag stellen.

 

5. Wat nu? Hoe verder?

 

Vandaag vieren we 75 jaar sociale zekerheid. Ze is zo vanzelfsprekend voor ieder van ons dat ze haar vanzelfsprekendheid verloren heeft. De verzekering bieden dat niemand in armoede moet leven, blijft de absolute grondwaarde voor elk systeem van fatsoenlijke, sociale bescherming. Het systeem wordt onder druk gezet door o.a.: de vergrijzing, van 1 kostwinner per gezin naar tweeverdieners, flexibilisering van de arbeid, arbeid wordt zwaarder belast dan kapitaal om bij te dragen, globalisering, liberalisering, éénoudergezinnen, … .  

 

Onze sociale zekerheid kan verbeterd worden: sociale uitsluiting en ongelijkheden blijven bestaan en de armoede wordt niet uitgeroeid! Door de solidariteit zijn er realisaties t.o.v. 1944: meer werk- en woonzekerheid, meer toegang tot onderwijs, ontspanning, cultuur, zorg, …. . Het gaat om meer dan enkel financiële transfers. Nooit werd er in België zo’n groot deel van de bevolking op dergelijke schaal geholpen door sociale beschermingsmechanismen.  Ondanks dit systeem van sociale zekerheid en bijstand liep in 2017 15,9% van de Belgische bevolking een risico op armoede. Soms is werken niet meer voldoende om maandelijks vlot de eindjes aan elkaar te knopen.

 

De neoliberale politieke stroming heeft hevige kritiek: te hoge bijdragen en te veel misbruik.  Deze kritiek is vanouds: zij willen een minimale, collectieve sokkel en de individuele vooruitziendheid wordt gedekt door privé-verzekeringen. Het wij zij verhaal wordt hier expliciet gemaakt en alle vormen van solidariteit en mededogen in de samenleving moeten op de schop. Wie niet aan de bak komt, heeft dit aan zichzelf te danken want hij heeft de kansen niet gegrepen. Kortom het is steeds je eigen schuld! Wie in nood is, wil enkel de kantjes van het systeem aflopen. Op zijn voorhoofd kleeft het etiket van fraudeur en profiteur. 

Sociale fraude wordt in de media veel harder aangepakt dan fiscale fraude. De laatste jaren heeft de overheid veel meer middelen ingezet om de sociale fraude aan te pakken dan de fiscale fraude! Inkomensfraude “door de rijken” wordt geminimaliseerd en veel welwillender behandeld. Meer informatie vind je hier: https://www.denktankminerva.be/analyse/2018/4/5/sociale-en-fiscale-fraude-een-beetje-perspectief.

In 1944 was er een wapenstilstand tussen arbeiders en patroons: de bijdragen aan de sociale zekerheid zijn een kost maar door de groei van de productiviteit in de bedrijven en de koopkracht is er een aanvaardbaar evenwicht voor beide partijen. Door deze keuze werden vier V’s centraal geplaatst: verzekeren, verbinden, verheffen en verzorgen. Dit compromis gaat uit van een stevige economische groei. Het blijft essentieel dat de sociale zekerheid ons beschermt tegen armoede en tegen de val van de levensstandaard bij pech! Het garanderen van een fatsoenlijk minimuminkomen is de eerste stap.

Meer informatie:

Voor meer informatie over onze Sociale Zekerheid kan u terecht op volgende link.

Bronnen

 

  • Politieke geschiedenis van België sinds 1830, Els Witte en Jan Craeybeckx, Standaard Wetenschappelijke uitgeverij Antwerpen, 1985

  • Wat zoudt ge zonder het werkvolk zijn?, Anderhalve eeuw arbeidersstrijd in België, Jaak Brepeols, Kritak, 1988

  • Een eeuw solidariteit - geschiedenis van de socialistische vakbeweging, ABVV – Ludion – AMSAB – IEV, Luc Peiren en Jean-Jacques Messiaen, 1997

  • Sociaal-economische barometer 2018, ABVV federaal

  • Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden, Matthias Somers (redactie), Denktank Minerva, 2019

  • Het sociaal pact van 1944, Oorsprong, betekenis en gevolgen, Dirk Luyten en Guy Vanthemsche, VUBpress, 1995

  • https://www.denktankminerva.be/analyse/2018/4/5/sociale-en-fiscale-fraude-een-beetje-perspectief