© BBTK - Antwerpen | 2018 | Van Arteveldestraat 9-11 2060 Antwerpen | Disclaimer

 

Bougie

1. Belang

Om de 5 jaar een zondag “opofferen” om te gaan stemmen. Roepers die eisen dat de stemplicht wordt afgeschaft.
De blanco en ongeldige stemmen stijgen, meer en meer kiezers komen gewoonweg niet meer opdagen. Het aantal Zwarte Zondagen is niet meer op één hand te tellen.

Voor veel mensen is onze democratie een speeltje. Ze denken dat het altijd bestaan heeft en dat het ook nooit meer zal verdwijnen. Zij dwalen.

“Eén mens, één stem” werd pas in 1948 ingevoerd. Dit betekent dat pas onze grootmoeders de eerste vrouwen waren die konden gaan stemmen! Voor de mannen gold het van in 1919, net na de Eerste Wereldoorlog dus.

Dit is zomaar geen Zuid-Amerikaans verhaal. Het is er één van vlees en bloed in ons eigen landje!

 

2. Voorspel

Bij de Belgische onafhankelijkheid in 1830 werd lang niet alles van de Nederlanders overboord gegooid. Zo namen de kersverse bewindvoerders het kiessysteem over dat enkel een stem gaf aan mensen die belastingen betaalden (cijnskiesstelsel).

De idee daarachter was dat enkel mannen mochten stemmen die iets te verliezen hadden bij een verandering van het politieke bestel. Alleen de rijken hadden baat bij een continuïteit. Wie niets bezat had niets te verliezen en had dus ook geen belangen. D.m.v. het bedrag dat aan belastingen betaald werd kon afgeleid worden of men voldoende rijk was. Daarom konden enkel mannen stemmen die een bepaald bedrag aan belastingen betaalden.

Zo had slechts 1% van de bevolking stemrecht 1 .

Door een verlaging van de belastingvereiste in 1848 verdubbelde het aantal kiesgerechtigden, maar aan de grond van dit kiessysteem raakte men dus niet.

 

Een aantal mutualiteiten, coöperaties, (plaatselijke en bedrijfs)vakbonden en studiekringen bundelden in april 1885 de krachten. De Belgische Werkliedenpartij 2 hield met 112 vertegenwoordigers haar eerste congres in lokaal “De Zwaan” op de Brusselse Grote Markt. De stichters willen vooral een sterke, levensvatbare en gedisciplineerde organisatie (zie ook het deel over stakingsrecht).

In augustus 1885 werd opnieuw vergaderd, ditmaal in Antwerpen aan de Sint-Andriesplaats. Het voornaamste punt uit het eisenprogramma was de verwezenlijking van het Algemeen Stemrecht. Dit moest leiden tot de verovering van de staatsmacht, zodat “den staat (kan) tusschenkomen voor het lot van den werkman te verzekeren gedurende het werk, ziekte en ouderdom …”.

 

 

Een nieuwe economische crisis sloeg toe in 1886 waarbij veel werkgevers de lonen verlaagden en zelfs de arbeidsduur verlengden. Er was ook veel werkloosheid omdat veel handenarbeid vervangen werd door machines. Zowat 1/5de van de bevolking wendde zich tot de liefdadigheidsinstellingen om te overleven. Er braken stakingen en gewelddadig oproer uit. Zo vielen er bv. in de omgeving van Charleroi in maart 1886 over verschillende dagen 24 doden en tussen de 100 en 150 gewonden. Het parlement richtte een commissie op die de leef- en werkomstandigheden van de arbeiders moest onderzoeken. Blijkbaar deed ze haar werk goed want er werden tientallen getuigenissen opgenomen over de “onvoorstelbare hongerlonen, de lange werkdagen, de mensonwaardige krotten, de excessen van vrouwen- en kinderarbeid, de onhygiënische werkomstandigheden en de afwezigheid van beschermende maatregelen” 3 .

Enkele jaren en verschillende stakingen later, stemde de Kamer een inoverwegingneming van wijziging van de grondwet voor de uitbreiding van het aantal kiesgerechtigden. Door allerhande vertragingsmanoeuvres sleepten de besprekingen aan en op 11 april 1893 verwierp de Kamer dan toch het Algemeen Stemrecht. Als reactie lanceerde de BWP de algemene staking die enorm opgevolgd werd: 250.000 arbeiders legden het werk neer. Er waren veel betogingen en in Mons vielen er 6 doden.

3. Antwerpen/ Borgerhout

De algemene staking startte met het houden van meetings om de arbeiders te informeren en te mobiliseren. Op 17 april 1893 waren de dokwerkers en scheepsherstellers al heel enthousiast geweest: velen staakten en de loopplanken werden weggetrokken en in het water gekieperd. Wie in de schepen aan het werk was, moest zich haasten om van boord te gaan. Een aantal manifestanten werd opgepakt door politie en Rijkswacht.

Op 18 april was er terug een betoging gepland, uiteraard voor het Algemeen Stemrecht en meteen ook om de vrijlating van de opgepakte betogers te verkrijgen. De ordestrijdkrachten hadden de les van de vorige dag goed geleerd:  de toegang naar “de dokken” was vakkundig afgesloten voor iedereen 4 .

Omdat de oorspronkelijk geplande weg verboden terrein was, moesten de leiders een ander parcours bedenken. Daarom werd er weg van de stad gestapt, richting Borgerhout. Daar wilde men de arbeiders van de kaarsenfabriek “de Roubaix-Oedenkoven” oproepen om deel te nemen aan de staking. “Den Bougie” was gelegen in de Bleekhofstraat, tussen de Turnhoutsebaan en wat nu de Plantin-en-Moretuslei heet. De 300 vrouwelijke en ongeveer 1200 mannelijke arbeiders werkten er onder erbarmelijke omstandigheden. Het arbeidsreglement was zelfs voor die tijd uitzonderlijk streng. De stakingsleiders vroegen een bespreking met de directeurs. Ze wilden vragen om zich niet te verzetten tegen een staking en om de werknemers te kunnen toespreken.

Nog tijdens de onderhandelingen sloot de politie de omgeving rond de fabriek af en de betogers werden ongedurig. De burgemeester van Borgerhout, Jan Moorkens, maande de betogers aan tot kalmte maar kreeg (volgens het politierapport) een steen tegen de (hoge) hoed. Moorkens besloot hierop te reageren met geweerschoten. Waarschijnlijk eerst met losse flodders en daarna  – zeker – met scherp. Deze reactie was zelfs voor de journalist van Het Laatste Nieuws buitensporig. Volgens hem “gedroegen de menschen zich kalm en waardig” en de politie bleef schieten, ook nadat bij het eerste (blanke) schot iedereen op de vlucht sloeg.

Naast 15 gewonden (waarvan enkelen zwaar) bleven Gustaaf Herreigers, Neel Bisschop, Jef Van Diependael, Filip Bosiers en Benedictus Van de Ven dood achter.

Diezelfde nacht nog schafte de Kamer het cijnskiesstelsel af en keurde ze het Algemeen Meervoudig Stemrecht goed.

De 5 doden werden onder grote belangstelling begraven en men sprak over de “martelaren voor het Algemeen Stemrecht”.

Toch trapte het regime nog na naar de leiders. Acht werden er vervolgd voor inbreuk op de vrijheid van arbeid, vier onder hen ook nog voor het dragen van verboden wapens. De getuigen op het proces waren burgermeester Moorkens, de politiecommissaris en de directeur van “den Bougie”. De neutraliteit was dus verre van gewaarborgd en de beklaagden kregen 4 tot 6 maanden gevangenisstraf.

Vroeger

Nu

 

4. Nasleep

Het Algemeen Meervoudig Stemrecht was echter enkel voor de vertegenwoordiging in de Kamer. De stemming voor de Senaat verliep nog steeds volgens het oude cijnskiesstelsel.

Elke man van 25 jaar kreeg één stem (853.628 kiezers). “Eigenaars van een belangrijk goed” of mannen van 35 jaar die gezinshoofd waren en minstens 5 frank belasting betaalden, kregen een tweede stem (293.678 kiezers X 2 stemmen = 587.356). Mannen die een hogere opleiding genoten hadden of een bepaald beroep uitoefenden hadden een derde stem (223.381 kiezers X 3 stemmen = 670.143). Hoewel de arbeidende klasse in de meerderheid was, werd ze toch terug een neus gezet.

 

Bovendien was er toen ook nog geen sprake van de “evenredige vertegenwoordiging” zoals we dat nu kennen. Integendeel: volksvertegenwoordigers werden aangeduid via het meerderheidsstelsel. Wie de meerderheid had in zijn kiesomschrijving was gekozen, de anderen kwamen er niet meer aan te pas. Daardoor was het nogmaals moeilijker voor arbeiderskandidaten om verkozen te geraken.

Ondanks alle tegenwerking raakten met de verkiezingen van 1894 toch 28 BWP’ers in het parlement. Zij waren allemaal verkozen in Wallonië waar de BWP met 345.000 éénmansstemmen de grootste partij werd. Omdat niemand voldeed aan de strenge cijnsvoorwaarden konden er voor de BWP slechts 2 provinciale senatoren zetelen.

5. En toen ...

Met het meervoudig stemrecht kon de meerderheid van de Kamerzetels nooit bereikt worden. De kiezers met twee of meerdere stemmen (meer dan 1.250.000) zouden het altijd halen op de 850.000 arbeidersstemmen (ook al zouden die allemaal voor de BWP kiezen). Omdat wetten zowel in de Kamer als in de Senaat een meerderheid moesten halen, was de aanwezigheid van de 28 BWP-volksvertegenwoordigers onvoldoende. Bovendien voerde de wetgever nieuwe hinderpalen in om de arbeidersbeweging nog meer stokken in de wielen te steken. Het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht moest er komen, óók voor de Senaat.

In 1902 zette de BWP een tandje bij met grote betogingen en het uitroepen van de  algemene staking. De manifestaties werden alsmaar gewelddadiger en in Brussel werd de staat van beleg afgekondigd. In La Louvière, Brussel en Leuven kwamen in totaal 11 betogers om onder de kogels van de Rijks- en burgerwacht.

Uiteindelijk zou het regime het Enkelvoudig Stemrecht aannemen. De Eerste Wereldoorlog kwam echter (letterlijk) roet in het eten gooien.

 

Tijdens de oorlog had de BWP samengewerkt in de regering en met belangrijke figuren uit de bankwereld 5 . Dit werd verzilverd door toegang aan de onderhandelingstafel met de koning in Loppem op 11 november 1918.

Dat de machtshebbers de BWP erbij namen, was niet alleen het gevolg van het ‘bewijs van goed gedrag en zeden’. In Rusland was de Communistische Partij aan de macht gekomen en ook Duitse soldaten begonnen in Brussel op hun officieren te schieten. Revolutie dreigde en erger moest voorkomen worden.

De verkiezingen van 1919 werden voor het eerst georganiseerd volgens het principe van “één man één stem”.

De BWP had voor het stemrecht nooit een onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Om toch maar het enkelvoudig stemrecht binnen te halen, lieten ze het vrouwenstemrecht vallen. Vrouwen zouden massaal katholiek stemmen “omdat ze meer onder de invloed van de pastoors stonden”. Als troostprijs mogen ze voortaan wel mee voor de gemeenteraden kiezen. Pas vanaf 1948 werden ze als volwaardige burgers aanzien.

 

Het stemrecht is in de loop van de jaren nog een aantal keren uitgebreid: in 1981 is de leeftijd verlaagd van 21 jaar naar 18 jaar en sinds 1999 hebben ook de EU-burgers stemrecht. Vanaf 2004 kunnen de niet-EU-burgers die minstens 5 jaar in België verblijven, meestemmen voor de gemeenteraden.

6. Besluit

Het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht is niet in onze (werknemers)schoot komen vallen. Er zijn betogingen, stakingen, gewonden, doden en 2 wereldoorlogen aan voorafgegaan.

Laat ons deze verworvenheid dus koesteren en verdedigen.

 

Enkele jaren geleden gebruikten we al de slagzin “als je je stem aan extreemrechts geeft, krijg je ze nooit meer terug”. In het licht van wat nu in Europa aan het gebeuren is, is dit actueler dan ooit.

 

Bronnen en voetnoten

Bronnen

  • Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn (p.19 ev + p.74)

  • De schanddaden van het cijnskiesstelsel (p.6 ev)

  • De geschiedenis der Arbeidersbeweging van Antwerpen en omliggende 1860-1925, A. Van Laar, uitgeverij “Ontwikkeling”, 1926 (p115-123)

  • Het Parlement, exponentvan een democratische samenleving 1831-1981, uitgegeven door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat

  • Geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in België. Onder redactie van Prof. Jan Dhondt, RUG, 1960

  • Vakbond in Beweging, militantenblad van het ABVV-Regio Antwerpen, nr. 95, maart-april-mei 2018

Voetnoten

1. 46.000 kiesgerechtigden op een bevolking van 4.076.500. Slechts 30.000 van hen maakten van hun recht

2. BWP: voorloper van de Belgische Socialistische partij (BSP), voorloper van de Socialistische Partij (SP), voorloper van de Socialistische Partij Anders (sp.a) en de Parti Socialiste (PS)

3. Wat zoudt gij zonder ‘t werkvolk zijn p.66

4. Voor een goed begrip: de haven lag in die tijd heel erg dicht bij het centrum van de stad. Het is pas na de Eerste Wereldoorlog dat ze veel meer naar het noorden opschoof.

5. O.a. Emile Francqui, bestuurder en voornaamste financier van de Société Générale