Innovation

 

1. Belang

251 doden en 62 gewonden was de tol van één van de zwaarste rampen in de Belgische geschiedenis.

Handenarbeiders stonden al sinds mensenheugenis bloot aan arbeidsongevallen. In het naoorlogse verleden denken we daarbij aan de mijnbrand in Marcinelle.

Het is echter op 22 mei 1967 met de brand in de Brusselse Innovation, dat ook de bediendenwereld getroffen werd. Lang niet alle slachtoffers waren werknemers van het warenhuis, maar ze maakten er wel een wezenlijk onderdeel van uit.

Hoewel er al langer werd gedacht aan de uitbreiding van de wetgeving op brandpreventie, kreeg ze door deze ramp een serieuze boost.

 

2. Situering

In 1903 brengt de Art Nouveau-architect Victor Horta enkele huizen aan de Brusselse Nieuwstraat samen en bouwt het warenhuis “A ‘l Innovation”. In de loop van de jaren kopen de eigenaars nog meer aanliggende panden op, tussenmuren worden weggeslagen en verdiepingen worden geplaatst. Door deze ingrepen verliest het gebouw zijn architecturale eenheid en op den duur is het een doolhof van jewelste.

Half mei 1967 houdt de Innovation een “Amerikaanse week” waarbij o.a. huishoudelijke apparaten zoals stofzuigers en wasmachines d.m.v. demonstraties worden aangeprezen.

Er is veel volk op de been.

3. De brand

 

Rond kwart over 1 merkt een verkoopster bij de kinderkleding een brandgeur op en ziet ze vlammen ontsnappen onder de deur van een stockageplaats.

De interne brandweer probeert het vuur te blussen en het brandalarm schelt doorheen het ganse gebouw. Niemand houdt er rekening mee, want het signaal lijkt erg op dat wat het einde van de middagpauze van het personeel aangeeft.

Paniek ontstaat als de brandgeur en zwarte rook zich verspreiden. Blijkt dat veel nooduitgangen versperd en ramen geblokkeerd zijn. De evacuatiemogelijkheden die er wél zijn, kunnen de grote stroom niet slikken. Mensen worden in de chaos vertrappeld.

Het vuur grijpt makkelijk om zich heen door de verschillende valse plafonds. De open traphallen doen dienst als schoorstenen die de lucht aanzuigen.

Om iets over half 2 zijn de eerste brandweerwagens ter plaatse. De brandweer doet wat ie kan, maar kan niet beletten dat nog enkele nabijgelegen panden afbranden.

 

4. De tol

Tijdens de opruimingswerken in de dagen en weken na de brand worden veel overledenen teruggevonden. Het herkennen van de slachtoffers is door de zware verbranding heel moeilijk en DNA-onderzoek is in 1967 nog onbekend. De hele kookploeg van het restaurant kon geen kant uit en wordt aan de hand van de vindplaats en hun witte uniformen geïdentificeerd.

Het is moeilijk om eenduidige cijfers te vinden over het aantal slachtoffers. Het gerechtelijk dossier spreekt van 251 doden en vermisten en 62 gewonden.

 

5. Hoe is het zo ver kunnen komen?

Hoewel de regels voor de brandpreventie nog lang niet waren wat ze nu zijn, kunnen we toch zeggen dat er één en ander schortte in de Innovation. We baseren ons hiervoor op de analyse van Siegfried Evens:

  • Het vuur heeft zich makkelijk kunnen verspreiden door gas. Er waren niet alleen gaslekken maar ook waren er veel gasflessen aanwezig. Omdat deze ontploften flakkerde de brand telkens op en kon hij verder om zich heen grijpen. Ook was de op lager gelegen verdiepingen neervallende versiering de oorzaak van het verder verspreiden van de brand.

  • De ligging van het warenhuis hielp niet echt om de hulpverlening vlotjes te laten verlopen. Het lag ingesloten in nauwe straatjes. Aan de beide zijden van de straten stonden auto’s geparkeerd waardoor de brandweerwagens de grootste moeite hadden om goed tot aan het brandende gebouw te geraken en de ladders uit te schuiven. Ook de vele ramptoeristen maakten het nog erger.

  • De interne brandweer was wel voldoende in aantal en er zouden genoeg brandslangen en –blussers geweest zijn. De opmerking vanuit de professionele brandweer was dat de internen te lang zouden geprobeerd hebben om de brand te blussen. De Brusselse brandweer sprak ook smalend over de opleiding en ouderdom van de internen. Lang niet iedereen was het eens met deze kritieken maar het was wel duidelijk dat de interne brandweer niet opgewassen was tegen een brand van dergelijke omvang.

  • De architectuur van het gebouw, zowel de indeling als de materialen die gebruikt waren, werkten mee om een ramp te veroorzaken. De wirwar van ruimtes die was ontstaan met de vele samenvoegingen van gebouwen en de grote hallen en trappen zorgden voor een snelle verspreiding van de brand. Door het grote aantal valse plafonds konden de vlammen ongezien hun weg zoeken en bovengelegen verdiepingen overvallen. Het materiaal van de valse plafonds zelf was niet brandbaar, maar het opgehoopte stof erachter kon een brandversneller zijn.

  • De Innovation was helemaal niet voorbereid op zo’n brand. Onvoldoende branddetectoren en falende en moeilijk interpreteerbare alarmsystemen zorgden er voor dat de brand te laat werd opgemerkt. Hoewel er blijkbaar geen koopwaar voor de vluchtwegen stond, waren de evacuatiemogelijkheden te beperkt. De evacuatieaanduidingen konden door de dichte rook niet onderscheiden worden. Brandladders, brandtrappen of andere nooduitwegen bleken er nauwelijks te zijn en ramen waren dichtgemetseld of versperd door de mooie façade.

 

6. En wat hebben we geleerd?

Het toenmalige Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming met haar 22 regeltjes i.v.m. brandpreventie, was ontoereikend en liet te veel over aan interpretatie. Dat hadden de beleidsmakers voordien al begrepen en ze hadden een verbetering in de steigers staan.  Natuurlijk grepen ze versneld in na de Innovation en de regelgeving is blijven evolueren.

Zo legde ze voortaan de werkgevers alle preventie- en beveiligingsmaatregelen op en ze omvat de principes voor de analyse van brandrisico’s die moet worden uitgevoerd volgens specifieke draaiboeken en aandachtspunten. Verder kwamen een aantal technische normen tot stand die de veiligheids- en beveiligingsverlichting en de brandweerstandsgraad van materialen bepalen.

De reglementering werd in de loop van de decenia verder verfijnd.

 

7. En de vakbond?

 

Het in 1944 gesloten “Sociaal Pact” voorzag niet alleen in de invoering van een systeem van Sociale Zekerheid. Het ging ook de onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers regelen.

De Ondernemingsraad en het Komité voor Veiligheid en Gezondheid en Verfraaiing van de Werkplaats 1 , werden de organen voor overleg tussen de werkgever en de personeelsafgevaardigden.

Die KVG’s hadden in de loop der jaren wel hun job gedaan, maar mede door de Innovationbrand werd binnen het ABVV hun rol wat herdacht en meer ideologisch ingekleurd.

In het KVG (nu CPBW genaamd) zitten aan de ene kant van de tafel de werknemersvertegenwoordigers. Zij worden door het personeel (via sociale verkiezingen) verkozen. Aan de andere kant zit de afvaardiging van de werkgever. Die kiest zijn eigen ploeg uit zijn groep van nauwe medewerkers. Als raadgevers (zonder stemrecht) schuiven mee aan de tafel: de preventieadviseur-arbeidshygiëne en de preventieadviseur-arbeidsarts.

Het CPBW is dus zeker geen vergadering die uit enkel werknemersafgevaardigden bestaat!

 

Het CPBW heeft slechts een adviserende bevoegdheid naar de werkgever toe.

Als het CPBW een advies uitbrengt, dan wil dat zeggen dat ook de werkgever iets aan zichzelf aanbeveelt. Het is dan ook logisch dat hij het uitvoert.

Het samen tot een advies komen, loopt gewoonlijk niet van een leien dakje. Een stemming houden heeft geen zin: de werkgeversvertegenwoordigers trekken toch aan één zeel en de personeelsafvaardiging bestaat dikwijls uit verschillende vakbonden. De belangen van de werkgever en die van het personeel zijn tegenstrijdig. De werkgever wil zoveel mogelijk winst maken, het personeel wil in een gezonde, aangename en veilige werkplek aan de slag. “Je hebt maar één leven en één gezondheid” is daarbij de onderliggende gedachte.

Daarom proberen de werknemersafgevaardigden om zoveel mogelijk fondsen van de werkgever over te hevelen naar investeringen in de veiligheid en de gezondheid van het personeel. Die centen moeten in de eerste plaats dienen voor collectieve beschermingsmiddelen. In de tweede plaats kijken we dan naar individuele beschermingsmiddelen. Een goedwerkende airco is beter dan ééntje die je ziek maakt en waarvoor je een griepspuit nodig hebt.

 

De personeelsafgevaardigden krijgen dit niet zomaar voor mekaar. Goeie argumenten, gedegen kennis en opleiding zijn soms onvoldoende. Als de werkgever niet meewil (hij zit óók in het CPBW) dan moeten ze een tandje bijsteken. Een vakbondsactie op het bedrijf is dan een uitweg. Maar dan moet wel iedereen meedoen natuurlijk. Daarom mogen de afgevaardigden zich niet opsluiten in hun kantoortje, maar moeten ze regelmatig gesprekken voeren met hun collega’s “op de vloer”. Zo horen ze wat er daar misloopt, wat zou kunnen gaan mislopen en hoe dat - vooraf - kan verholpen worden.

 

In de loop van de jaren is de veiligheids-, gezondheids- en preventiewetgeving heel uitgebreid geworden. Maar die wetgeving is voor ons geen eindpunt!

Het is niet omdat je werkgever een bepaalde norm haalt, dat het dan helemaal goed zit.

In een hete zomer kan het op je werkplek wel heel warm worden. De reglementering schrijft voor dat de temperatuur dan moet gemeten worden met een speciale thermometer 2 . Afhankelijk van welk werk je doet - licht, halfzwaar, zwaar of zeer zwaar - zijn er andere maximumtemperaturen. Ook al is het dan volgens de wetgeving misschien niet te warm, toch kan jij vinden dat je er niet in kunt werken. Als een gesprek met de werkgever niet tot een bevredigend resultaat komt, dan moet je je tanden laten zien. Je moet dat echter niet op je eentje ondernemen! Je moet je collega’s rond jou en de vertegenwoordigers in het CPBW, Ondernemingsraad en de Syndicale Afvaardiging daar mee in betrekken! Samen sta je sterker. Solidariteit werkt!

 

Bronnen en voetnoten

Bronnen:

  • “Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn? - De geschiedenis van de Belgische arbeidsbeweging 1830-2015”, door Jaak Brepoels, 655 blz, Uitgeverij Van Halewyck, 2015

  • “De brand in de Innovation, Het Inno-effect op de Belgische samenleving”, Siegfried Evens (masterproef – KUL, academiejaar 2015-2016)

  • Brochure “Arbeiderscontrole en Komitee Veiligheid, Gezondheid, verfraaiing van de werkplaatsen”, ABVV-Vormingsinstituut, 1976

  • “Wegwijs veiligheid en gezondheid”, ABVV, 1992

  • “Vademecum Welzijn op het werk”, ABVV, 2005

  • “Welzijn op het werk”, Provinciaal Veiligheidsinstituut Antwerpen, 10de uitgave

  • “Welzijn op het werk”, Provinciaal Veiligheidsinstituut Antwerpen, uitgave 2017

  • “Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk”, Belgisch Staatsblad 18/09/1996

  • Internetartikel: http://innovation1967.com/nl/

  • Met dank aan het Provinciaal Veiligheidsinstituut:

Voetnoten:

1. Voorloper van het huidige “Comité voor Preventie en Bescherming van de Werkplaats” = CPBW

2. Een “vochtige globothermometer”. Die houdt ook rekening met de stralingswarmte en de luchtvochtigheid. Zie ook www.werk.belgie.be/detailA_Z.aspx?id=844

© BBTK - Antwerpen | 2018 | Van Arteveldestraat 9-11 2060 Antwerpen | Disclaimer